Volgende onderzoeksrapporten kunnen opgevraagd worden en/of zijn consulteerbaar bij Gelijke Kansen in Vlaanderen:
Gender
Overzicht
Programma 1996
Programma 1997
- Afremmechanismen t.a.v. vrouwen in politieke partijen
- Het Vlaams parlement, Nieuwe Politieke Cultuur en het potentieel voor een valorisering van het maatschappelijk kapitaal van vrouwen in de politieke besluitvorming.
- Functionele Regionale Databank (FRED)
- Emancipatie-Effectenrapportering (EER)
- Huishoudelijke verdeling van arbeid: beleidsopties vanuit een emancipatorisch perspectief
- Vrouwen van middelbare leeftijd: van onzichtbaar naar onmisbaar. Een onderzoek m.b.t. hun participatie op het niveau van de middenveld- en emancipatiebewegingen, gericht op het formuleren van beleidsrelevante en sociaal-agogische implementaties.
- Nieuwe randvoorwaarden voor het emancipatiebeleid?
Programma 1998
- Gelijke kansen voor mannen en vrouwen aan de universiteit?
- Actieonderzoek: evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in de politieke besluitvorming
- Vrouwen en armoede in Brussel
- Naar een "emancipatorisch en gezinsvriendelijke arbeidsorganisatie" in Vlaamse bedrijven. Ontwikkeling van een auditinstrument "GezinslevenBedrijfsleven".
Programma 1999
- Maatschappelijke waardering van groen en landschap in genderperspectief
- Conceptuele basis en operationele modellen voor een geïntegreerd beleid inzake de maatschappelijke gelijkheid van mannen en vrouwen
- Genderassessment in de media en andere nieuwe informatietechnologieën
Programma 2000
- Toepassing van de quota op de adviesraden
- Behoeftenonderzoek naar gelijkekansenindicatoren en statistieken
- De impact van de quotawet op de positie van vrouwelijke verkozenen
Programma 2001
Uitgebreide presentatie
Programma 1996
titel: Arme vrouwen?!
inhoud:Naar aanleiding van het Internationaal Jaar ter Bestrijding van de Armoede organiseerde het Steunpunt Women's Studies in 1996 in samenwerking met de Nederlandstalige Vrouwenraad een studiedag over de vrouwelijke kant van de armoede. De resultaten van het onderzoek werden tijdens een studiedag toegelicht en in twee publicaties vervat.
Een eerste bevat onderzoeken waarin de aandacht uitdrukkelijk naar arme vrouwen gaat. In bijdragen van Bea Cantillon, Marie-Rose Clinet, Kristel Driessens en Elke Smekens, Diane Prosst, Lieve Vanderleyden en Jonathan Bradshaw komen de volgende vragen aan bod: Welk is het profiel van arme vrouwen? Welke specifieke factoren verhogen de kans om bestaansonzeker of arm te worden? Wie zijn de vrouwen achter de cijfers? Hoe kan een armoedebeleid hier op inspelen?
Het tweede boek laat mensen uit de praktijk aan het woord en bevat bijdragen van organisaties die werken rond vrouwen en kansarmoede.
titel: Vrouwenstudies als onderzoekslijn
inhoud: In 1996 werden vrouwenstudies voor het eerst opgenomen als onderzoekslijn binnen het Impulsprogramma Humane Wetenschappen van de Vlaamse Gemeenschap. Vier onderzoeksteams kregen de kans om gedurende drie jaar onderzoek te doen rond de volgende thema's:
- gelijke kansen voor mannen en vrouwen in het maatschappelijk leven;
- beeldvorming over mannen en vrouwen in de media;
Het gaat om de volgende onderzoeken:
-
Rolgedrag en opvoeding: waardering, verdeling en overdracht van de 'vrouwelijke' zorg
Zorg wordt meer en meer erkend als een belangrijk onderdeel van ieders bestaan. Toch blijven het ook vandaag nog vooral de vrouwen die de directe zorgtaken en de zorgverstrekking op zich nemen. Waarom nemen vaders de typische, zogenaamd vrouwelijke, zorgtaken in de opvoeding niet (of slechts in geringe mate) op, zelfs wanneer moeders wel taken opnemen op het sociaal-economische vlak? De onderzoekers zochten het antwoord op deze vraag in de richting van de zorgwaardering en het koppelen van zorg aan sekse. De volgende onderzoeksvragen stonden daarbij centraal: hoe belangrijk vinden mannen en vrouwen (zorg)taken in het kader van de opvoeding? Vinden moeders en vaders zorg(en) belangrijk als na te streven waarde in de opvoeding? Vinden zij dat hun kinderen zorgzame personen moeten worden? Maken ze daarbij een onderscheid tussen zonen en dochters? Hoe waarderen kinderen deze zorg voor de nabije ander? Vindt een overdracht plaats tussen ouders en kinderen? En ten slotte: kan de verdeling en waardering van zorg in de opvoeding beïnvloed worden?
promotor: prof. dr. Lieve Vandemeulebroecke en prof. dr. Agnes De Munter (KULeuven), in samenwerking met prof. dr. Thérèse Jacobs (UIA).
Deze studie is beschikbaar onder de vorm van Wetenschappelijke Monografie 3 'Genderaspecten van zorg in de opvoeding' (heruitgave: 2000) (zie publicatielijst).
-
Beeldvorming in de media
Rond dit thema waren twee onderzoeksteams actief die intensief met elkaar samenwerkten. Aan de universiteit van Gent (UG) bekeek men de beeldvorming vanuit het standpunt van de makers van de beelden, in Antwerpen (UIA) nam men de gebruikers onder de loep (kijkers, lezers, luisteraars).
-
De invloed van gender als variabele op de productie van de vrouw- en manbeelden in de media.
De grote constante in "vrouwen en media"-onderzoeken is de oproep tot een grotere participatie van vrouwelijke communicatoren aan het productieproces. Men veronderstelt daarbij vaak dat een grotere deelname van vrouwen aan het productieproces ook de beeldvorming in de eindproducten ten goede zou komen. Dit werd echter tot nu toe niet wetenschappelijk onderzocht. Het onderzoeksteam wilde daarom een grondige studie maken over de eventuele rol die gender speelt in het productieproces en in het resulterende mediaproduct. Maken vrouwelijke journalisten bijvoorbeeld andere reportages dan hun mannelijke collega's?promotor: prof. dr. Frieda Saeys en prof. dr. Marysa Demoor (UG).
Deze studie is beschikbaar onder de vorm van Wetenschappelijke Monografie 2 'Gezocht: M/V in het nieuws. De invloed van gender als productievariabele op de vrouw- en manbeelden in de media'. (heruitgave: 2000) (zie publicatielijst)
-
Grenzen van de constructie van gender in de media: een analyse van de maatschappelijke en ethische argumentaties i.v.m. beeldvorming (m/v) in de media.
In dit onderzoeksproject werd dieper ingegaan op de maatschappelijke betekenis van beeldvorming over mannen en vrouwen. Nagegaan werd op welke punten en op welke wijze intenties en doelstellingen van mediamakers en beleidsvoerders ingeperkt en gestuurd worden door belangen en verlangens van mediagebruikers. Het onderzoeksteam evalueerde campagnes die gericht zijn op de beïnvloeding van de beeldvorming in de media. Daarnaast werd de maatschappelijke discussie over beeldvorming geanalyseerd.promotor: prof. dr. Magda Michielsens (UIA) en prof. dr. Frieda Saeys (UG).
Deze studie is beschikbaar onder de vorm van Wetenschappelijke Monografie 1 'Beeldvorming M/V: diversiteit en emancipatie. Impulsproject 'Grenzen van de mediale constructie van gender'. (heruitgave: 2000) (zie publicatielijst)
-
Programma 1997
titel: Afremmechanismen t.a.v. vrouwen in politieke partijen.
inhoud: Uit de analyse van de parlementsverkiezingen van 21 mei 1995 is gebleken dat het niet volstaat het quotum van vrouwen op de lijsten te verhogen om veel vrouwelijke verkozenen te hebben. Vrouwen moeten in nuttige volgorde gerangschikt worden. Die beslissingen worden in de politieke partijen genomen. De aanwezigheid van vrouwen in de partijen moet derhalve in kaart gebracht worden en waar mogelijk verklaard worden. Vooreerst wordt de impact van statutaire voorschriften onderzocht. Maar er werd ook gepeild naar de openheid en/of de afremmechanismen die in de partijpolitieke culturen ingewerkt zitten. Dit zou in de eerste plaats gebeuren door de kansen van vrouwen in de CVP, SP en VLD te onderzoeken op de ontmoetingsplaats van basis en topleiding, en dit in een vergelijking van de Vlaamse met de Nederlandse en de Duitse overeenstemmende politieke partijen.
promotor: Wilfried Dewachter (KULeuven) rapport
titel: Het Vlaams parlement, Nieuwe Politieke Cultuur en het potentieel voor een valorisering van het maatschappelijk kapitaal van vrouwen in de politieke besluitvorming.
inhoud: Dit onderzoek had tot doel het potentieel aan vrouwelijk maatschappelijk kapitaal in het Vlaams parlement beter te valoriseren en nader te onderzoeken. In een eerste deel werden via een literatuurstudie de randvoorwaarden in kaart gebracht die van belang geacht worden opdat vrouwen impact hebben op de politiek. Vervolgens werd nagegaan in welke mate Vlaamse vrouwelijke parlementsleden in hun handelen beperkt worden door deze randvoorwaarden. Dit gebeurt aan de hand van een korte vergelijking van het aantal en type initiatieven die mannelijke en vrouwelijke parlementsleden nemen aan de hand van interviews met parlementsleden. In een tweede deel werden die strategieën ter bevordering van de input van vrouwen in het beleid onderzocht die een invloed hebben op de in het eerste deel als belangrijk geïdentificeerde randvoorwaarden. Dit gebeurde aan de hand van een literatuurstudie en enkele interviews. In het derde deel werden ten slotte beleidsstrategieën geformuleerd om het maatschappelijk kapitaal van vrouwen in het Vlaamse parlementaire werk beter te valoriseren.
promotor: Alison Woodward (VUB)
Deze studie is beschikbaar onder de vorm van Wetenschappelijke Monografie 5 'Het Vlaams parlement, Nieuwe Politieke Cultuur en het potentieel voor een valorisering van het maatschappelijk kapitaal van vrouwen in de politieke besluitvorming'. (zie publicatielijst)
titel: Functionele Regionale Databank (FRED)
inhoud: In 1997 werd een onderzoek gestart naar de basisstatistieken die nodig zijn voor de uitbouw en evaluatie van een gelijkekansenbeleid. Het ging om een tweeledig onderzoek naar de beschikbare statistische gegevens die gebruikt kunnen worden bij de uitbouw van het gelijkekansenbeleid. Het onderzoek omvatte een breed gamma aan thema's: onderwijs, welzijn, gezondheid, gezin, arbeid, huisvesting, cultuur, media, armoede... Over elk thema werd enerzijds een behoefteanalyse uitgevoerd en anderzijds een aanbodanalyse. Voor de behoefteanalyse werd gepeild naar de behoeften aan seksespecifieke cijfergegevens bij beleidsverantwoordelijken, wetenschappers en vrouwenorganisaties. In een tweede deel werd een inventaris opgemaakt van het nu al beschikbare cijfermateriaal. Door de twee onderzoeksdelen te vergelijken konden eventuele leemtes opgespoord worden. Een aantal seksespecifieke gegevens blijkt al te bestaan, maar moeten nog systematisch uitgebreid worden. Een aantal hiaten kunnen binnen het gegevensaanbod van de Vlaamse administratie zelf worden opgevuld. Er is overleg gepleegd met de verschillende Vlaamse administraties om sekse als variabele systematisch in te voeren in het registratie- en monitoringsysteem. Hetzelfde geldt voor alle nieuwe onderzoeken waartoe de Vlaamse Gemeenschap opdracht geeft. Seksistische gegevens worden doorgestuurd naar de Functionele Regionale Databank (FRED), een meta-databank die momenteel wordt uitgebouwd door de administratie Planning en Statistiek (APS) van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De databank bevat informatie over bestaande statistieken op verschillende domeinen, en geeft de opsplitsing naar geslacht weer. In de toekomst moeten er verder genderindicatoren ontwikkeld worden die op kwantitatieve (en kwalitatieve) manier de evoluties van het gelijkekansenbeleid weergeven, zodanig dat de effecten van het beleid regelmatig kunnen worden getoetst aan de doelstellingen. (zie onderzoek 2000, Administratie Planing en Statistiek)
titel: Emancipatie-Effectenrapportering (EER)
inhoud: Emancipatie-effectenrapportage heeft als instrument voor een gelijkekansenbeleid het voordeel dat het in principe op alle beleidsterreinen toegepast kan worden. Een goed uitgewerkt werktuig om effecten op emancipatie te anticiperen is een belangrijk en nuttig instrument in een maatschappelijk bewust beleidsproces.
dit instrument werd ontwikkeld door: VUB
promotor: Alison Woodward
De brochure 'De EER van ons beleid. Emancipatie-Effecten-Rapportering kan besteld worden. (zie publicatielijst)
titel: Huishoudelijke verdeling van arbeid: beleidsopties vanuit een emancipatorisch perspectief
inhoud:
De studie focust op drie grote delen:
- De verdeling van betaalde arbeid in gezinnen;
- De verdeling van huishoudelijke arbeid in gezinnen;
- De combinatie van betaalde en huishoudelijke arbeid.
titel: Vrouwen van middelbare leeftijd: van onzichtbaar naar onmisbaar. Een onderzoek m.b.t. hun participatie op het niveau van de middenveld- en emancipatiebewegingen, gericht op het formuleren van beleidsrelevante en sociaal-agogische implementaties.
inhoud: Van alle vrouwen in Vlaanderen behoort bijna één op vijf tot de leeftijdsgroep van 50-65 jarigen. Onder meer vanwege hun lage opleiding en de traditionele rolverdeling waarmee ze volwassen geworden zijn, is deze groep op diverse domeinen van het maatschappelijk leven ondervertegenwoordigd. Door een samenspel van demografische en gezinssociologische invloeden is deze generatie vrouwen echter op velerlei vlak een echte scharniergeneratie.
In dit onderzoek wordt de participatie van deze vrouwen op het niveau van de middenveldbeweging (in casu vrouwenverenigingen en bejaardenbonden) en de emancipatiebewegingen (in casu de gemeentelijke seniorenadviesraden) geanalyseerd. Vanuit deze middenveld- en emancipatiebewegingen worden belangrijke accenten gelegd naar het welzijn-, gezondheids- en specifiek seniorenbeleid. Vermits deze groep van vrouwen hiermee in het bijzondere mate te maken heeft (als zorgverleenster en zorgvraagster) is het belangrijk dat ze erover kunnen waken dat hun belangen gehoord worden. Op basis van deze bevindingen zullen beleidsrelevante en sociaal-agogische implementaties geformuleerd worden.
promotor: Christel Geerts (VUB)
Professor Geerts publiceerde zelf een boek over deze thematiek: 'Meisjes van 50' (aanwezig in de RoSa-bibliotheek)
titel: Nieuwe randvoorwaarden voor het emancipatiebeleid?
inhoud: In dit project wordt er dieper ingegaan op de gevolgen van de toenemende verscheidenheid in de maatschappelijke positie van vrouwen voor het emancipatiebeleid. Er is een vermoeden dat de verschillen tussen vrouwen niet enkel verklaard kunnen worden vanuit het perspectief van ongelijke kansen. Het vermoeden is dat er zich binnen de samenleving een nieuw emancipatiedenken ontwikkelt, waarbij het steeds moeilijker wordt om de graad van emancipatie af te lezen uit de participatie aan betaalde en onbetaalde arbeid. Het project is multidisciplinair van opzet. Het verenigt een sociologische en een (ped)agogische invalshoek. Bovendien wordt in beide ploegen zowel inzichtsverruiming als valorisatie van de bevindingen nagestreefd. Daarom werd het project opgesplitst in 2 fasen. Tijdens de eerste fase werd de geldigheid van de veronderstelling onderzocht: welke emancipatieconcepten onderkennen we in concrete levens van vrouwen, ook vanuit het gezichtspunt van hun partner? Tijdens de tweede fase onderzochten de sociologen in welke mate de verscheidenheid in denken over emancipatie doorgedrongen is bij de instanties die het emancipatiebeleid op het lokale vlak (de gemeentelijke emancipatieraden) moeten waarmaken. De pedagogen werkten een vormingsconcept uit dat in zijn concrete uitvoering werd geëvalueerd.
promotor: Magda Michielsens(UIA)
Deze studie is beschikbaar onder de vorm van Wetenschappelijke Monografie 8 'Emancipatie en taakverdeling. Nieuwe randvoorwaarden voor het emancipatiebeleid'. (zie publicatielijst)
Programma 1998
titel: Gelijke kansen voor mannen en vrouwen aan de universiteit?
inhoud: Hoewel het aantal vrouwelijke universiteitsstudenten de afgelopen jaren steeds is toegenomen tot ongeveer de helft van de totale studentenpopulatie, blijkt dat in de periode 1992-1998 gemiddeld slechts 33% van de doctoraten werd behaald door een vrouw.
Deze gegevens vormden de aanleiding om na te gaan welke mogelijke factoren als stimulerend dan wel als belemmerend worden ervaren voor de goede voortgang van het doctoraatsproces en het uiteindelijke behalen van een doctoraat. Dit onderzoek wil m.a.w. een antwoord geven op de vraag welk soort gelijkekansenbeleid er voor kan zorgen dat aan de universiteit een gunstig klimaat ontstaat met maximale ontwikkelingsmogelijkheden voor zowel mannelijke als vrouwelijke doctorandi.
promotor: Mieke Van Haegendoren (LUC)
Deze studie is beschikbaar onder de vorm van Wetenschappelijke Monografie 4 'Gezocht: professor (V)'. (zie publicatielijst)
titel: Actieonderzoek: evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in de politieke besluitvorming
inhoud: In een eerste fase werd een onderzoek gevoerd naar de werking van de politieke vrouwengroepen. Dit werd noodzakelijk geacht gezien de grote rol die de politieke partijen spelen in de al dan niet deelname van vrouwen aan de besluitvorming.
Uit de doorlichting van de Vlaamse democratische politieke vrouwengroepen distilleerde de NVR de knelpunten en de aanbevelingen m.b.t. de werking van deze groepen en de structurele omkadering die hiervoor nodig blijkt.
Op basis van deze bevindingen heeft de NVR een tienpuntenactieplan dat door de Vlaamse regering kan worden gebruikt ter ontwikkeling van een geïntegreerd beleid m.b.t. de deelname van vrouwen aan het politieke besluitvormingsproces.
onderzoek uitgevoerd door: Nederlandstalige Vrouwenraad
(aanwezig in de RoSa-bibliotheek)
titel: Vrouwen en armoede in Brussel
inhoud: Kansarme vrouwen in Brussel zijn niet het meest "zichtbare" probleem in Brussel. Arme vrouwen zijn een deelaspect van de complexe problematiek op gebied van armoede en achterstelling waar Brussel mee te kampen heeft. De omvang en specifieke problemen van deze groep in Brussel kregen tot nog toe weinig aandacht. Een verdere kwantitatieve en kwalitatieve studie was zeker nodig.
In een eerste deel wordt de problematiek behandeld van vrouwen en armoede. Eerst wordt de algemene situatie geschetst. Vervolgens worden gegevens over arme vrouwen in Brussel verzameld.
Het tweede deel evalueert de concrete aanwezigheid van vrouwen in de verschillende projecten en initiatieven en bespreekt daarnaast de aanwezigheid van vrouwen in het kansarmoedebeleid van de Vlaamse Gemeenschapscommissie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Er wordt eveneens ingegaan op het Sociaal Impulsfonds als belangrijke troef in het kansarmoedebeleid.
onderzoek uitgevoerd door: KAV Studiedienst
(aanwezig in de RoSa-bibliotheek)
titel: Naar een "emancipatorisch en gezinsvriendelijke arbeidsorganisatie" in Vlaamse bedrijven. Ontwikkeling van een audit-instrument "Gezinsleven-Bedrijfsleven".
inhoud: Centraal stond de zoektocht naar de instrumenten om een gelijkere verdeling te realiseren van de beroeps- en gezinsarbeid binnen gezinnen en een gelijkere positie van mannen en vrouwen binnen bedrijven of organisaties. Concreet werd een (audit)instrument "Family and Business Audit" ontwikkeld, kort "FBA" genaamd, voor de registratie van de emancipatie- en gezinsgerichtheid van de arbeidsorganisatie in bedrijven. Op basis van het auditsysteem werd een flexibel management-instrument ontworpen voor de implementatie of realisatie van een (meer) emancipatorische en gezinsvriendelijke arbeidsorganisatie binnen de diverse soorten bedrijven. De basisvoorwaarde is dat gezinnen en bedrijven inspanningen leveren voor een betere wisselwerking tussen het gezins- en bedrijfsleven, waardoor beiden er beter van worden.
Het onderzoek bestaat uit een gezins- of werknemersluik en uit een bedrijfsluik. Elk luik omvat een secundaire macrostudie over de feitelijke situatie in gezinnen en bedrijven en een microstudie waarin een audit wordt ontwikkeld op basis van een aantal casestudies. Zo’n Family and Business Audit omvat een analyse-instrument om concreet stappen te zetten naar een meer gezinsgerichte arbeidsorganisatie.
[zie ook programma 1999: conceptuele basis en operationele modellen voor een geïntegreerd beleid inzake de maatschappelijke gelijkheid van mannen en vrouwen]
promotor: Walter Van Dongen (Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudie), Daniël Vloeberghs (UFSIA), Dany Wijgaerts (European Centre for Work and Society)
Programma 1999
titel: Maatschappelijke waardering van groen en landschap in genderperspectief
inhoud: Dit onderzoeksproject sluit rechtstreeks en wezenlijk aan bij een onderzoek dat in opdracht van de Administratie AMINAL, afdeling Bos en Groen, in de loop van 1998-1999 werd uitgevoerd naar de maatschappelijke waardering van groen en landschap. Via een survey bij 1.500 inwoners wou men een beeld bekomen van hoe de bevolking in Vlaanderen groen en landschap waardeert, waarbij het zowel ging over de aanwezigheid van groen in de straat, het park in de stad, het natuurgebied, het bos en de diverse landschappen. Het opzet van het project "Maatschappelijke waardering van groen en landschap in genderperspectief" bestond er in om de enquête-gegevens van de studie van AMINAL verder te verwerken vanuit het genderperspectief en in tweede instantie naar ouderen en kinderen toe. De bedoeling was om uit die enquête-gegevens gender- en leeftijdsspecifieke informatie te genereren die dienstig kan zijn voor het inclusief gelijkekansenbeleid, meer bepaald t.a.v. de doelgroepen vrouwen, kinderen en ouderen.
Het onderzoeksprogramma omvatte een vooronderzoek naar reeds beschikbare informatie in binnen- en buitenland waarbij de relatie gender en milieu aan bod kwam. Op basis van de opgestelde hypothesen uit het vooronderzoek werd een bi- en multi-variate analyse doorgevoerd op het statistisch materiaal van de voorgaande survey. Deze analyseresultaten dienden voor het formuleren van beleidsaanbevelingen . Tenslotte werden de resultaten van het onderzoek weergegeven in een wetenschappelijk rapport en een beknopter rapport voor een ruimer publiek.
onderzoek uitgevoerd door: Studiegroep Mens en Ruimte nv
Deze studie is beschikbaar onder de vorm van Wetenschappelijke Monografie 6 'Milieu-onderzoek en gender: een probleemverkenning. Maatschappelijke waardering van groen en landschap in genderperspectief'. (zie publicatielijst)
titel: Conceptuele basis en operationele modellen voor een geïntegreerd beleid inzake de maatschappelijke gelijkheid van mannen en vrouwen
inhoud: Dit onderzoek is een bijkomend onderzoek bij het onderzoeksproject ‘Naar een emancipatorische en gezinsvriendelijke arbeidsorganisatie in Vlaamse bedrijven. Ontwikkeling van een audit-instrument Gezinsleven-Bedrijfsleven’. Dit bijkomend onderzoek heeft als doel een positieve wetenschappelijke interactie of wisselwerking tot stand te brengen tussen het onderzoeksdomein gendergelijkheid in de maatschappij en het project 'Gezinsleven-Bedrijfsleven', als specifiek onderzoek met betrekking tot de combinatie van het gezins- en beroepsleven.
Aan de ene kant was het de bedoeling om vanuit het onderzoek het domein gendergelijkheid conceptuele en operationele ondersteuning, inspiratie, voeding en bewaking te bieden voor het project 'Gezinsleven-Bedrijfsleven'. Aan de andere kant was het eveneens de bedoeling om op dit domein zelf verdere stappen te zetten naar een geïntegreerde benadering, uitgaande van het onderzoek naar de combinatie van het gezins- en beroepsleven in het algemeen en het project 'gezinsleven-Bedrijfsleven' . Het betreft dus de zoektocht naar de conceptuele basis, de operationele modellen, de empirische instrumenten en de beleidsperspectieven van een geïntegreerd beleid voor een gelijke positie van mannen en vrouwen.
Het onderzoek bestond uit twee grote delen:
- Ondersteuning, inspiratie, voeding voor het onderzoeksproject Family and Business Audit.
- Ontwikkeling van een geïntegreerde benadering van de maatschappelijke gelijkheid onder mannen en vrouwen
Het eerste onderdeel van het onderzoek leidde tot een overzicht van de bestaande instrumenten en tot een sterkte-zwakte analyse ervan. De positieve aspecten ervan werden geïntegreerd in het project FBA.
Het tweede onderdeel leidde tot een algemene publicatie (Nederlands- en Engelstalig): Gendergelijkheid als basiswaarde van de democratische verzorgingsstaat. Een geïntegreerde benadering. Het bevat een algemene conceptuele en normatieve analyse en een aantal operationele modellen (theoretisch, empirische en normatief) en beleidsperspectieven inzake de dagelijkse combinatie van het gezins- en beroepsleven van mannen en vrouwen.
promotor: Walter Van Dongen (CBGS)
titel: Genderassessment in de media en andere nieuwe informatietechnologieën of Media Emancipatie Effecten Rapportages (MEER)
inhoud: Zowel de media, als de nieuwe informatietechnologieën zijn nog heel sterk verbonden met de stereotiepe rolpatronen van mannen en vrouwen. Mediaproducten moeten geëvalueerd kunnen worden op hun voorziene (en op systematische wijze ingeschatte) invloed op de emancipatie, op de beeldvorming en positie(s) van vrouwen en mannen. Voor een dergelijke analyse dient een standaardmethodiek ontwikkeld te worden (op basis van evaluatiecriteria) die ook door derden gehanteerd kan worden. De gender- en emancipatierelevantie van mediaproducten zou daardoor op een systematische wijze gemeten kunnen worden en mediamakers moeten hierover feedback kunnen krijgen. Hetzelfde geldt voor de nieuwe informatietechnologieën. Vandaag wordt alles wat met ‘computing’ te maken heeft nog steeds als een mannelijk territorium gezien. Opleidingen in de nieuwe informatietechnologieën en de gebruiksvriendelijkheid zouden moeten worden onderworpen aan een genderassement. Het onderzoek moet leiden tot een bruikbaar instrument.
promotor: Magda Michielsens (UIA)
Programma 2000
titel: Toepassing van de quota op de adviesraden
inhoud: Uit het 'Evaluatieverslag over de toepassing van het decreet van 15 juli 1997 houdende de uitvoering van een meer evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in adviesorganen' (eind 1998) blijkt dat slechts 25 % van de Vlaamse adviesraden beantwoordt aan de bepalingen van dit decreet. Dit ondanks de sanctie dat het adviesorgaan in kwestie geen rechtsgeldig advies kan formuleren indien haar samenstelling niet in regel is met het decreet. In verband hiermee kunnen verschillende onderzoeksvragen gesteld worden. Wat is er de oorzaak van dat adviesraden niet paritair zijn samengesteld? Hoe verloopt de selectie van leden van adviesraden? Zijn de adviesraden op de hoogte van de bepalingen van het decreet? Welke rol kan de gegevens- en adviesbank Pluspunt spelen?
Promotor: Alison Woodward (VUB)
titel: Behoeftenonderzoek naar gelijkekansenindicatoren en statistieken
inhoud: Een van de problemen voor het gelijkekansendomein is dat er nog onvoldoende basisstatistieken zijn om relevante beleidsindicatoren te ontwikkelen. Hiervoor is het nodig meerdere parameters te linken aan de parameter geslacht. Daarvoor zou er in alle beleidsdomeinen systematisch onderzoek moeten gebeuren. Uit hoofdstuk 10 'Focus op gender' uit VRIND 98 blijkt dat er nog veel meer statistisch materiaal kan gegenereerd worden in de bestaande beleidsdomeinen, of dat bestaande statistieken verder verfijnd dienen te worden. Bovendien zijn deze cijfers al drie jaar oud en dienen ze nodig geactualiseerd te worden. Dit onderzoek past uitstekend in de voorbereiding van het opmaken van een beleidsactieplan gelijke kansen zoals in de beleidsnota werd vooropgesteld.
Promotor: Mieke Van Haegendoren (LUC)
De digitale versie van het eindrapport kan u downloaden op www.steunpuntgelijkekansen.be.
titel: De impact van de quotawet op de positie van vrouwelijke verkozenen
inhoud: Tweederde van de leden van het Vlaams Parlement toont zich tegenstander van de quota-wetgeving. Mannelijke en vrouwelijke parlementsleden verschillen echter sterk van mening op dit vlak. Er is een grote groep vrouwelijke verkozenen die van mening is dat ze gesteund werden door de bestaande quota terwijl er een aanzienlijke groep (mannelijke) politici tegen de quota zijn. Een belangrijke onderzoeksvraag is: welke impact heeft de bestaande quotawet op de positie van 'quotavrouwen', zowel in het parlement als in hun partij?
Dit onderzoek kan op drie niveaus gevoerd worden:
- Vlaams
- Federaal en Europees
- Provinciaal en gemeentelijk
De resultaten van dit onderzoek kunnen een belangrijke impuls betekenen in het debat rond de quotaregelingen.
promotor: Kris Deschouwer (VUB)
Een eerste tussentijds rapport werd gepubliceerd in Wetenschappelijke Monografie 9 'Tussen wens en werkelijkheid: reële en mogelijke impact van quotaregelingen op de kieslijsten' (zie publicatielijst) Het praktische luik van het onderzoek werd vertaald naar de wetenschappelijke monografie 12 'Antitrustwetgeving of aanfluiting van de democratie: hoe Vlaamse politici denken over genderquota'.
Programma 2001
titel: Vrouwen als producenten en overdragers van cultuur
inhoud: Het doel van dit onderzoek is het in kaart brengen van vrouwen die actief betrokken zijn bij de productie van cultuur en vervolgens de resultaten in een internationale context te evalueren met de intentie beleidsaanbevelingen te formuleren. De focus zal dus liggen op de productie van cultuur: journalistiek, reclame, literatuur, onderwijs, … Het concept ‘cultuur’ moet in de ruimste zin van het woord worden geïnterpreteerd; als een dynamisch proces van betekenis geven. Zowel de loopbaan van vrouwen als hun specifieke bijdrage tot de productie van cultuur zijn hier aan de orde. Het onderzoek zal expliciet op zoek gaan naar variabelen die invloed hebben op de instroom, doorstroom en uitstroom van vrouwen in hun loopbaan in deze sector. Het zijn net deze variabelen die beïnvloed kunnen worden door beleidsmaatregelen. Daarnaast moet onderzocht worden wat de invloed van vrouwen in de sector op de verspreiding van culturele waarden en normen is.
Promotor: Marysa De Moor (UGent)
Holebi's
Overzicht
Programma 1997
Programma 1998
- Toegankelijkheid Algemeen Welzijnswerk voor Holebi’s (1998)
- Hulpvragen van homo’s, lesbiennes en biseksuelen. Een biografische verkenning en leefwereldanalyse bij holebi’s als bijdrage tot de rolinvulling van het algemeen welzijnswerk
Programma 2000
Uitgebreide presentatie
Programma 1997
titel:Een beleidsgerichte algemene sociale survey van Vlaamse homoseksuele mannen en vrouwen
inhoud: Via dit onderzoek werd een kennisbestand ontwikkeld m.b.t. die aspecten van het dagelijks leven van Vlaamse homoseksuele mannen en vrouwen die omwille van hun seksuele oriëntatie verschillen van de algemene bevolking. Dit bestand is het resultaat van een algemene sociale survey van de Vlaamse homo- en lesbiennepopulatie waarbij de klemtoon ligt op het bekomen van beschrijvende gegevens. Zo wordt er o.a. nagegaan wanneer het besef holebi te zijn ontstaat, welke problemen holebi’s ervaren met hun seksuele oriëntatie zowel in het onderwijs als in de werksfeer, of holebi’s met hun problemen terechtkunnen bij de welzijnssector, … Ook het relationeel aspect van het holebizijn en de discussie over holebi’s en kinderen worden in deze survey belicht.
promotor: Prof. dr. John Vincke (Universiteit Gent)
De resultaten van dit onderzoek werden verwerkt in de nieuwe uitgave van de 'Smarties-brochure' : Holebi's in Vlaanderen. (zie publicatielijst)
Naar boven, naar index holebi's
Programma 1998
titel: Toegankelijkheid Algemeen Welzijnswerk voor Holebi’s
inhoud: Vanuit de homo- en lesbienneorganisaties werd het probleem gesteld dat holebi’s onvoldoende gehoor vinden bij welzijnsorganisaties, zeker als het gaat om "homospecifieke" hulpvragen. Daarom heeft het Steunpunt Algemeen Welzijnswerk onderzocht in welke mate holebi’s momenteel terechtkunnen bij het algemeen welzijnswerk. Daarnaast heeft het Steunpunt eveneens initiatieven ontwikkeld om een grotere toegankelijkheid van het algemeen welzijnswerk voor holebi’s te bewerkstelligen en de openheid t.a.v. de holebiproblematiek te vergroten. Ook heeft het Steunpunt beleidsaanbevelingen gesuggereerd ten aanzien van deze problematiek.
onderzoek uitgevoerd door: Steunpunt Algemeen Welzijnswerk
De resultaten van dit onderzoek werden verwerkt in de brochure 'Wat met homoseksuele en lesbische cliënten?' (zie publicatielijst)
titel: Hulpvragen van homo’s, lesbiennes en biseksuelen. Een biografische verkenning en leefwereldanalyse bij holebi’s als bijdrage tot de rolinvulling van het algemeen welzijnswerk
inhoud: Dit onderzoek had tot doel inzicht te krijgen in de belevingswereld van holebi’s en de hulpvragen die ze hebben bij het uitstippelen van hun levensweg. Aan de hand van biografische en thematische interviews werd een brede leefwereldanalyse opgemaakt. Enerzijds ging de aandacht uit naar de door het individu gehanteerde oplossingsstrategieën en anderzijds naar de wijze waarop de context invloed heeft op de situatie. Hierbij werd ook uitdrukkelijk rekening gehouden met het zelfoplossend vermogen van het individu. Op basis van de resultaten van het onderzoek werden 70 aandachtspunten voor het welzijnsbeleid bepaald.
promotor: Herman Baert (KULeuven)
De resultaten van dit onderzoek werden gepubliceerd in Wetenschappelijke Monografie 10 'Hulpvragen van holebi's' (zie publicatielijst).
Naar boven, naar index holebi's
Programma 2000
titel: Een analyse van de situatie van holebi-leerkrachten binnen de verschillende onderwijsnetten en –vormen als bijdrage tot het creëren van een grotere openheid rond holebiseksualiteit binnen het onderwijs
inhoud: Hoe staan directie en inrichtende machten tegenover de tewerkstelling van holebi’s als leerkracht in de verschillende onderwijsnetten en –vormen? Welke moeilijkheden en remmingen ervaren holebi’s werkzaam als leerkracht in de verschillende onderwijsnetten en –vormen? Hoe staan leerlingen uit de verschillende onderwijsnetten en –vormen tegenover holebi’s als leerkracht?
promotor: Marleen Easton (Hoge School Gent)
De resultaten van dit onderzoek werden gepresenteerd op een studiedag op 24 mei 2002.
Naar boven, naar index holebi's
Toegankelijkheid
Overzicht
Programma 1997
- Toegankelijkheid van informatieve televisieprogramma's voor personen met een mentale handicap
- Ondertiteling voor prelinguaal gehoorgestoorden
Programma 1998
Programma 2001- Behoefteonderzoek naar aangepast vervoer voor personen met een beperkte mobiliteit
- Kosten-batenanalyse van de vervoersopties voor personen met een beperkte mobiliteit
Uitgebreide presentatie
Programma 1997
titel: Toegankelijkheid van informatieve televisieprogramma's voor personen met een mentale handicap.
inhoud: Vanuit de paradigmaverschuiving van het zorgmodel naar het ondersteuningsmodel voor personen met een (mentale) handicap is informatiedoorstroming via de 'gewone' kanalen ook naar deze personen toe essentieel. Uitgaande van de eigenwaarde van iedere persoon moet ook wat betreft het aanbod, de structuur en de inhoud van informatie het eenrichtingsverkeer van zorgverstrekkers naar zorgontvangers doorbroken worden. Toegankelijkheid krijgt in deze context die betekenis die er in de eerste plaats door de betrokkene zelf aan wordt gegeven. De bedoeling van dit onderzoek is dan ook niet alleen na te gaan welke informatie verstaanbaar is voor personen met een mentale handicap of hoe men informatie voor hen verstaanbaar kan maken, maar ook te peilen naar hun mediagedrag, hun informatiezoekgedrag, hun beoordeling van het huidige aanbod, hun behoeften t.a.v. informatie en vooral hun invulling van het begrip informatie. Televisie is een populair medium bij mentaal gehandicapten. Het lijkt dan ook aangewezen ons binnen het kader van dit onderzoek op dit medium te concentreren. Later kan de ontwikkelde methodiek verder toegepast worden op andere media of andere doelgroepen.
Promotor: Frieda Saeys en Geert Van Hove (UG)
De resultaten van dit onderzoek werden gepubliceerd in Wetenschappelijke Monografie 7 'Toegankelijkheid van informatieve televisieprogramma's voor personen met een verstandelijke handicap.' (zie publicatielijst).
titel: Ondertiteling voor prelinguaal gehoorgestoorden.
inhoud: De voornaamste doelgroep van de bestaande ondertiteling van nieuwsprogramma's zijn postlinguaal gehoorgestoorden, d.w.z. mensen die doof werden na de kritische periode van taalverwerving. Prelinguaal of vroegdoven zijn doof geboren of werden doof voor het begin van die kritische fase (± 2 jaar). De ondertiteling voor postlinguaal doven is onvoldoende aangepast aan de specifieke karakteristieken van vroegdoven. Vooral nieuwsuitzendingen blijven grotendeels ontoegankelijk, voornamelijk omwille van de aanzienlijke taalachterstand van prelinguaal doven. In dit project werd in een eerste fase experimenteel onderzoek verricht omtrent optimale ondertiteling voor vroegdoven. In een tweede fase werden de bevindingen geïmplementeerd in een aantal richtlijnen voor aangepaste ondertiteling.
Promotor: Karl Verfaillie en Géry d'Ydewalle (KUL)
Naar boven, naar index toegankelijkheid
Programma 1998
titel: De dovengemeenschap in Vlaanderen: doorlichting, sensibilisering en standaardisering van de Vlaams-Belgische gebarentaal
inhoud: Het project zoals voorgesteld hieronder bestaat uit vier luiken die elk één of meerdere eigen doelstellingen kennen
- In een eerste luik wordt een doorlichting van de dovengemeenschap voorgesteld. De bedoeling is inzicht te krijgen in de samenstelling van de heterogene groep van Vlaamse doven en slechthorenden ondermeer voor wat de aard en graad van gehoorverlies en de gebruikte communicatievormen.
- Het tweede luik betreft de sensibilisering van de horende gemeenschap. Er zal worden nagegaan bij welke instellingen, diensten en personen er een grote nood is aan informatie omtrent doofheid, welke informatie het betreft en hoe deze informatie het best kan worden verstrekt.
- Het derde luik bestaat uit het ‘gebaren-database-project’. Een belangrijke doelstelling van dit deel-project is het verwerven van kennis betreffende de lexicale verschillen en gelijkenissen tussen de verschillende Vlaamse gebarentaalvarianten zodat ondermeer wetenschappelijk onderbouwde uitspraken kunnen worden gedaan omtrent het wel of niet bestaan van een ‘standaard-gebarentaal’ en er advies kan worden gegeven omtrent de te gebruiken gebaren voor wat betreft het onderwijs aan dove kinderen, het opleiden van gebarentaaltolken en het onderwijzen van Vlaams-Belgische gebarentaal en de ontwikkeling van een ‘gebarenschattest’ ten behoeve van de scholen van het Buitengewoon Onderwijs Type 7.
- Het vierde luik bestaat uit een beschrijving van de plaats en de functie van gebaren en gebarentaal in de didactiek van het Buitengewoon Onderwijs Type 7 in Vlaanderen. Dit heeft als doel richtlijnen te ontwikkelen voor de onderwijskundige optimalisering van de didactiek in het onderwijs aan doven en slechthorende kinderen.
Promotor: Annemarie Vandenbergen (UG), Eric Broekaert (UG), Myriam Vermeerbergen (VUB), Gerrit Loots (VUB), Pol Ghesquière (KULeuven), Bea Maes (KULeuven)
Naar boven, naar index toegankelijkheid
Programma 2001
titel: Behoefteonderzoek naar aangepast vervoer voor personen met een beperkte mobiliteit
inhoud: De Vlaamse regering wil aandacht besteden aan de specifieke vervoersproblematiek van personen met een handicap en/of beperkte mobilitiet. Zo wil zij enerzijds streven naar een maximaal toegankelijk openbaar vervoersaanbod. Anderzijds wil de Vlaamse regering voor personen die, gezien de ernst van hun handicap, hoe dan ook verstoken blijven van het openbare aanbod, zorgen voor een supplementair aangepast vervoerssysteem.
Om een duidelijk idee te krijgen van het aantal potentiële klanten voor het vraagafhankelijk vervoer en de specifieke behoeften, werden volgende items in dit onderzoek behandeld:
- de behoefte aan en de te verwachten vraag naar aangepast vervoer in functie van een maximaal toegankelijk en bereikbaar openbaar vervoersaanbod
- de duidelijke afbakening en definiëring van de doelgroep en de bepaling van de wijze van identificatie
- de telling van het aantal gerechtigden en het in kaart brengen van de geografische spreiding over de Vlaamse stedelijke en landelijke gebieden
- de evaluatie van het huidige concept en de formulering van voorstellen om eventueel tegemoet te komen aan de vastgestelde knelpunten
onderzoek uitgevoerd door: Deloitte en Touch
De resultaten van dit onderzoek werden gepresenteerd op een studiedag op 18 maart 2003.
Naar boven, naar index toegankelijkheid
titel: Kosten-batenanalyse van de vervoersopties voor personen met een beperkte mobiliteit
inhoud: Om een duidelijk idee te krijgen van het aantal potentiële klanten voor het vraagafhankelijk vervoer en hun specifieke behoeften werd een behoefteonderzoek opgezet. Het doel van dit onderzoek is het definiëren van het profiel van de potentiële gebruiker van het aangepast vervoer waarna het aantal gerechtigden in kaart wordt gebracht. Daarnaast dienden de resultaten van de analyse in verband te worden gebracht met de resultaten van het lopende behoefteonderzoek waarbij de reële behoefte aan aangepast vervoer tegenover de capaciteit van de verschillende vervoersopties werd geplaatst en waarna de meest geschikte opties (ifv de kosten/baten) naar voor werden gebracht.
onderzoek uitgevoerd door: Deloitte en Touch
De resultaten van dit onderzoek werden gepresenteerd op een studiedag op 18 maart 2003.
Naar boven, naar index toegankelijkheid
Andere
Overzicht
Programma 1998
Programma 2000
Programma 2001
Uitgebreide presentatie
Programma 1998
titel: Integratie van tweede generatie migrantenvrouwen in Vlaanderen: verschillende wegen tot integratie (1998)
inhoud: Dit onderzoek draagt bij tot een meer genuanceerde en daardoor meer positieve beeldvorming omtrent de tweede generatie Marokkaanse en Turkse vrouwen in Vlaanderen. Meer concreet wordt het relationeel netwerk van deze Moslimvrouwen onderzocht m.b.t. hun eigen gemeenschap en de westerse samenleving.
Door het in kaart te brengen van de sociale netwerken van 'seculier georiënteerde' en 'islamitisch georiënteerde' vrouwen wordt er meer inhoud gegeven aan een moeilijk hanteerbaar begrip als ‘integratie’. Daarenboven werd er ook nagegaan of er verschillen zijn vast te stellen tussen islamitische vrouwen in zogenaamde concentratiebuurten en in meer heterogene gebieden. Op deze manier wordt er een beter inzicht verworven in de sociaal-culturele factoren die een belangrijke verklaringsgrond kunnen bieden voor de maatschappelijke participatie van deze vrouwen.
Promotor: UFSIA
RoSa documentatiecentrum
Programma 2000
titel: Meerwaarde en knelpunten van leeftijdsgrenzen in de Vlaamse regelgeving en hun effect op oudere personen
inhoud: In het kader van de ontwikkeling van een nieuw Vlaams ouderenbeleid, dat zich richt op een volwaardige en autonome participatie van oudere personen in de samenleving, werd inzicht verworven in de aard en de ernst van de problemen die ouderen ervaren wanneer zij geconfronteerd worden met de toepassing van leeftijdsgrenzen opgenomen in de diverse Vlaamse regelgevingen.
De resultaten van dit onderzoek zijn:
- een literatuurstudie omtrent het verschijnsel leeftijdsdiscriminatie
- een inventarisatie van de opname van een leeftijdsgrens ten aanzien van een oudere bevolkingsgroep binnen de Vlaamse regelgeving op vlak van welzijn, gezondheid, huisvesting, cultuur, veiligheid, mobiliteit, tewerkstelling en inkomen
- een analyse van de effecten van deze leeftijdsgrenzen op het maatschappelijk functioneren van oudere in de samenleving
- inzicht in de beleving van de ouderen ten aanzien van deze leeftijdsgrenzen
- de wetenschappelijke vaststelling van het al dan niet aanwezig zijn van leefijdsdiscriminatie die ouderen belet volwaardig te participeren of zich te integreren in de samenleving
- de formulering van duidelijke beleidsaanbevelingen en concrete voorstellen om eventueel tegemoet te komen aan de vastgestelde knelpunten en lacunes.
Promotor: Jef Breda (UFSIA)
De resultaten van dit onderzoek werden gepubliceerd in Monografie 11 'Meerwaarde en knelpunten van leeftijdsgrenzen in Vlaamse regelegeving en hun effect op oudere personen.' (zie publicatielijst). In het kader van valorisatie werden er op 19 november 2002 en 20 maart 2003 studiedagen georganiseerd over twee subthema's uit het onderzoek.
Uitgebreide presentatie
Programma 2001
titel: Inclusief Onderwijs
inhoud: Inclusief onderwijs gaat uit van het idee dat zo veel mogelijk kinderen en jongeren kwaliteitsvol onderwijs kunnen volgen in een gewone school, dus ook kinderen met speciale onderwijsbehoeften als gevolg van bijvoorbeeld een handicap. Daarom schreef Gelijke Kansen in Vlaanderen een onderzoek uit dat tot doel heeft:
- voor het beleid een overzicht te bieden van de kritische factoren die het inclusieproces van kinderen met speciale noden binnen het onderwijs positief of negatief blijken te beïnvloeden, vertaald in concrete aanbevelingen ter bijsturing van het huidige beleid.
- informatie op te leveren voor de kinderen met een handicap en hun ouders die hen ondersteunt, versterkt en begeleidt in hun keuze voor inclusief onderwijs.
- materiaal op te leveren voor opleidingsinstituten dat ondersteuning biedt voor modules over de opvoeding van kinderen met speciale noden.
Binnen dit onderzoek worden:
- het geheel aan versnipperde beleidsstandpunten, visies en onderzoeksgegevens (nationaal en internationaal) over inclusief onderwijs bij elkaar gebracht en ontsloten.
- de ervaringen en belevingen in kaart gebracht van kinderen die in Vlaanderen school lopen/liepen binnen een volledig inclusief onderwijsmodel, de ervaringen van hun ouders, klasgenoten, andere ouders enz. Hierbij kan ook bijzondere aandacht worden besteed aan de samenwerkingsrelaties en de communicatie tussen ouders en de betrokken scholen/leerkrachten.
Promotor: Geert Van Hove
titel: Beeldvorming over personen met een handicap
inhoud: Het integratieproces van personen met een handicap, vertrekkende vanuit het ‘inclusieve denken’, plaatst zowel de persoon met de handicap zelf als zijn omgeving centraal. Het al dan niet slagen van een inclusief gericht beleid hangt dan ook in belangrijke mate af van de "goodwill" van het publiek. Dit publiek, waar ook de beleidsverantwoordelijken deel van uitmaken, dient open te staan voor de integratieproblematiek en het belang ervan in te zien.
Gerichte sensibiliseringscampagnes en campagnes rond het bevorderen van de positieve beeldvorming zijn in deze context dan ook van cruciaal belang. Dergelijke campagnes winnen aan effectiviteit naarmate zij specifiek gericht zijn op vooraf bepaalde noden. Er dient te worden ingespeeld op de wijze waarop de mensen denken over personen met een handicap, hoe ze er zich bij voelen, hoe zij het belang van integratie inschatten enz.
Dit onderzoek heeft daarom:
- op basis van een grootschalige enquête, de wijze waarop in Vlaanderen over gehandicapten wordt gedacht of met andere woorden het huidige beeld van het publiek ten opzichte van personen met een fysiek /mentale handicap, in kaart gebracht
- de reeds uitgevoerde initiatieven omtrent positieve beeldvorming (met goed rendement) geïinventariseerd en geëvalueerd
- op basis van de in kaart gebrachte resultaten indicatoren ontwikkeld die een bijdrage kunnen leveren tot het specifiek richten en het evalueren van sensibiliseringscampagnes en campagnes rond positieve beeldvorming.
Dit alles met het oog op het bevorderen van de effectiviteit van deze campagnes. De onderzoeksopdracht werd gegeven in het licht van de VN standaardregels. Regel 1 stelt "dat de staten voorlichtingscampagnes betreffende gehandicapten en het gehandicaptenbeleid dienen op te zetten en te steunen, die de boodschap uitdragen dat gehandicapten medeburgers zijn met dezelfde rechten en plichten, om aldus een draagvlak te scheppen voor maatregelen gericht op het wegnemen van alle barrières voor volwaardige deelneming". In Regel 1 van de VN-standaardregels betreffende het bieden van gelijke kansen voor gehandicapten krijgen de staten de taak toebedeeld maatregelen te treffen om in de samenleving bewustzijn te kweken met betrekking tot gehandicapten, hun rechten, hun behoeften, hun mogelijkheden en hun inbreng.
Promotor: Geert Van Hove (UGent)