1995-1999 > Geschiedenis van het gelijkekansenbeleid > Het gelijkekansenbeleid > Het beleid > Gelijke Kansen

1995-1999

Tijdens de eerste legislatuur  werden de krijtlijnen van het Vlaamse Gelijkekansenbeleid uitgetekend.
De bevoegde minister, Anne Van Asbroeck (SP, sp.a), richtte haar beleid van bij het begin behalve op gelijke kansen voor vrouwen, ook op holebi’s, personen met een handicap en allochtonen. Op die manier werd het begrip gelijke kansen opengetrokken.

Het werd bovendien veel breder ingevuld dan tewerkstelling. Zo werd er voorzichtig geëxperimenteerd met het in de praktijk zetten van de mainstreamgedachte die opgang maakte tijdens de internationale Wereldvrouwenconferentie van Peking in 1995.
In dit kader werd een ambtelijke interdepartementale werkgroep opgericht en werd de opdracht gegeven tot het ontwikkelen van Emancipatie Effect Rapportage en de Lokale Emancipatie Effect Rapportage, twee instrumenten om een genderperspectief in beleidsprocessen te integreren.

Ook werd er werk gemaakt van het opzetten van samenwerkingsverbanden met de provinciale besturen.

Het eigen beleidsdomein situeren ten opzichte van de bevoegdheidsdomeinen van andere Vlaamse ministers bleek niet zo eenvoudig. Vooral voor allochtonen en personen met een handicap was er een overlap met het werkterrein van andere ministers (zoals de ministers Welzijn). Een holebibeleid was helemaal nieuw en kende zelfs geen equivalent op federaal niveau. Vlaanderen vervulde op dit vlak een pioniersrol.

In januari 1998 werd in het Vlaamse parlement een resolutie gestemd die ook de coördinatie van het Vlaamse Toegankelijkheidsbeleid onder de bevoegdheid van de Vlaamse minister van Gelijke Kansen bracht.

Na twee jaar werd de opdracht van Anne Van Asbroeck overgenomen door Brigitte Grouwels (CVP, CD&V). De wissel was een compromis, afgesproken bij de regeringsvorming. Net als Van Asbroeck werd Grouwels minister van Gelijke Kansen en Brusselse Aangelegenheden. 

 

terug naar geschiedenis